Schuimen tijdens de arbeid

Schuim in de paardenmond tijdens arbeid is al jarenlang een veel besproken discussiepunt: er zijn veel theorieën over ontwikkeld waarvan ook een paar in de praktijk zijn getoetst.

Gillian Heggins en Stephanie Martin schrijven in hun boek “Hoe beweegt uw paard”, het volgende over schuimen tijdens de arbeid (citaat van bladzijde 71):

“De spieren van de kaak en nek zijn belangrijke onderdelen van de spiercirkel waardoor precieze controle en aanhoudende vloeiende bewegingen mede mogelijk worden gemaakt. Ze beïnvloeden de souplesse van de nek en hoe het paard op het bit reageert. Het is erg belangrijk dat de m. sternomandibularis, die van het borstbeen naar de onderkaak loopt, ontspannen is. Alleen dan kan het paard het bit aannemen en het hoofd in balans dragen. Spanning, die ontstaat door de kaak met druk te blokkeren of het spannen van de spieren aan de bovenkant van de hals, die het afbuigen van de nek besturen, kan ook worden overgebracht op de rest van het lichaam. Als de kaak en de nek ontspannen zijn en de ruiterhand zacht is, zal het paard rustig op het bit kauwen. Een vochtige mond is een goed teken. Een droge, dichtgeklemde mond met een geblokkeerde kaak is niet nageeflijk, reageert niet op de hulpen, creëert spanning en verhindert het afbuigen van de nek. Harde handen en beperkende trainingshulpmiddelen kunnen hier de oorzaak van zijn. Overvloedig schuimen kan echter ook worden veroorzaakt door het feit dat het paard niet kan slikken omdat de mond is dichtgesnoerd, het bit niet past of de spieren rond de keel in hun functioneren worden belemmerd.”

Het speeksel dat tijdens de arbeid wordt aangemaakt, bestaat uit eiwitten die stollen door het kauwen waardoor het witter wordt. In de praktijk zijn twee soorten ‘speeksel monden’ te onderscheiden: het zogenaamde ‘lippenstift’-mondje, waarbij het schuim eruit ziet als een wit lippenstift randje en dat fijn en licht aanvoelt, en het zogenaamde ‘slijm’-mondje waarbij grote klodders wit slijm uit de mond komen. Laatst genoemde is het ‘verkeerde’ schuim en verderop is te lezen hoe dit ontstaat. Het ‘lippenstift’-mondje wordt zowel gezien bij paarden die met bit getraind worden, als bij paarden die zonder bit getraind worden.

01

Zoals hierboven al geciteerd is en zoals Lammert Haanstra ook opmerkt, betekent een ‘lippenstift’-mondje dat het paard ontspannen en correct onder de ruiter beweegt waardoor er ruimte achter de kaak ontstaat zodat het paard zijn hoofd makkelijk af kan buigen. Door de ontstane ruimte functioneren (ontspannen) de oorspeekselklieren beter en begint het paard te schuimen. Het ontspannen bewegen van het paard is dus een vereiste. Met dit in het achterhoofd wordt ook verklaard waarom paarden in vrije beweging (dus zonder ruiter) nooit een schuimmond zullen laten zien: want zij hoeven op dat moment niet nageeflijk te lopen om de ruiter te kunnen dragen, paarden in arbeid moeten dat wel.

Onder andere Dr. Hilary Clayton (Michigan State University) heeft in St. Petersburg (Rusland) praktijkonderzoek gedaan en dan vooral gericht op de vraag of paarden met een bit in kunnen slikken, want er werd gedacht (nog steeds) dat schuimen het gevolg is van het niet kunnen slikken met een bit in (citaat van Horse.nl, 3 april 2008):

“Zij vergeleek twaalf paarden, die achtereenvolgens werden opgetoomd met een halster, een bitloos hoofdstel, een hoofdstel met een watertrens en één met een speciaal africhtingsbit. Ze werden in een tredmolen gezet en via een cameraatje aan een slang in hun neus werd bekeken hoe vaak ze slikten tijdens een arbeidsgalop. Er werden bijzetteugels gebruikt om de verticale loodlijn als hoofdhouding aan te houden. Via een klein slangetje werd water in de paardenmonden gespoten om te kijken of de dieren dit konden wegslikken. Het onderzoek toont onomstotelijk aan dat paarden probleemloos kunnen slikken met en zonder een bit in, terwijl ze bewegen met hun hoofd in de ‘dressuurhouding’. Zodra je gaat rijden met een bit in en je paard is niet zenuwachtig, krijg je extra speeksel. De hoeveelheid is per paard verschillend, toont het onderzoek aan. Waarom die verschillen zo groot zijn is niet duidelijk. Feit is dat de hoeveelheid slikbewegingen niet werd beïnvloed door het gebruik van welk soort bit dan ook. Als een paard slikt, kan het niet op datzelfde moment ademhalen. Het is het één of het ander. Veel slikken tijdens zware inspanning is dus niet wenselijk. In dat opzicht wil je liever weinig schuim tijdens je proef, want een paard slikt een deel van het overmatige speeksel door. In de ‘dressuurhouding’, vooral in de hoogste graad van verzameling, worden de speekselklieren van een paard samengeknepen. Er wordt wel beweerd dat dit de oorzaak is van extreem schuimen. Hilary Clayton: „Het klinkt logisch. Je ziet daarbij inderdaad vaak overdadig schuim, dat uit de mond loopt. Bewezen is het echter niet.”

Naast Dr. Hilary Claytons onderzoek, bewijzen kleine voorbeelden uit de praktijk dat paarden met een bit in prima kunnen slikken, denk hierbij aan het voorbeeld van een paard dat op buitenrit graast of drinkt met het bit in.

De hoofdhouding van het paard heeft invloed op de oorspeekselklieren en dus op het schuimen. Een paard dat langdurig in dressuurhouding (neigend naar achter de loodlijn) gereden wordt, kan problemen ontwikkelen met het doorslikken van het speeksel waardoor het zogenaamde ‘slijm’-mondje ontstaat. Het omgekeerde, een paard in de ‘renhouding’ dus met een gestrekte nek, zal optimaal kunnen slikken en dit kunnen afwisselen met ademhalen gedurende grote prestaties. De beste houding voor een paard om goed te kunnen slikken én te kunnen ademhalen tijdens arbeid, zal de gulden middenweg zijn.

Paarden met een dichtgesnoerde neusriem en/of een slecht passend bit en/of een ruiterhand die tegenwerkt en/of een langdurige dressuurhouding kunnen dus hun speeksel niet doorslikken waardoor ze het dus flink benauwd kunnen krijgen. Hierdoor zal het ‘verkeerde’ schuim ontstaan.

Concluderend vertelt de hoeveelheid en het soort schuim ons hoe het met de ontspanning van het paard tijdens arbeid gesteld is, belangrijke samenhangende begrippen zijn dan ook nageeflijkheid en aanleuning. Het blijft in de praktijk echter lastig om de grens te trekken tussen een normale hoeveelheid slijm en een overdadige hoeveelheid: per paard zal dan ook een individuele (en kritische) grens gesteld moeten worden.

Bijschrift: Stress kan daarnaast ook zorgen voor een erg droge mond. Bij dit soort paarden moet gewerkt worden aan de gemoedstoestand voordat men een speeksel-verhogend-bit (bijvoorbeeld een koper bit) probeert.

02

Op deze pagina zijn drie paarden te zien, de hoeveelheid schuim die zij hebben is voor hen normaal voor de dagelijkse arbeid, terwijl de één overduidelijk meer schuimt dan de ander. Is dit nu goed of niet? Door kritisch te kijken naar het individuele paard en alle eerder genoemde aspecten zal daar een antwoord op verkregen worden.