Hefboomwerking scharenbitten

In de voorgaande hoofdstukken is er al gesproken over hefboomwerking bij scharenbitten, maar wat houdt dat nu precies in?

Trenzen zijn bitten die direct inwerken in de paardenmond: wanneer de ruiter de teugel aanneemt, voelt het paard dit direct. Anders is het met bitten die een hefboomwerking hebben (scharenbitten).

Hoewel deze bitten ook erg divers zijn, hebben ze allemaal dezelfde overeenkomstigheden:
– Ze hebben allemaal, in meer of mindere mate, een hefboomwerking;
– Als algemene regel geldt dat hoe langer en rechter de scharen zijn, hoe meer de druk er verveelvoudigd op het paard over wordt gebracht;
– Over het algemeen worden scharenbitten met een kinketting/kinriem gebruikt (een paar scharenbitten uitgezonderd);
– De algemene inwerking van scharenbitten is: druk achter in de nek, in de kingroeve en in de mondhoeken. Per mondstuk verschilt de precieze werking in de mond;

Om uit te leggen wat de hefboomwerking nu precies inhoudt, maak ik gebruik van onderstaande afbeeldingen:

Algemeneinwerking04

1. Dit is het oog waar de bakstukken aan bevestigd worden. Dit wordt ook wel stangoog of bakstukoogje genoemd;
2. Dit is het scharnierpunt van de wig, ofwel het mondstuk;
3. Dit is één van de mogelijkheden om de teugels te bevestigen;
4. Net als nr. 3 is dit een mogelijkheid om de teugels te bevestigen (naar gelang het soort bit kunnen er ook meer of minder mogelijkheden zijn om de teugels te bevestigen);
– De ruimte tussen 1. en 2. wordt de bovenbrug, bovenarm, krachtarm of spoke genoemd;
– Het stuk vanaf 2. wordt de onderboom, schaar of hefboomarm genoemd;

De tweede afbeelding hierboven laat zien hoe een scharenbit eruit kan zien als optoming. Als de ruiter nu de teugel aanneemt dan zal de schaar naar achteren bewegen, waardoor het in feite rolt over het mondstuk (de wig). Hierdoor zullen de bakstukken voor- en neerwaarts bewegen wat druk achter de oren (nek) en in de mondhoeken tot gevolg heeft. Doordat het bakstukoogje vast zit aan de bakstukken, zorgt deze druk er tegelijkertijd ook voor dat het mondstuk omhoog in de paardenmond wordt getrokken.
Als er ook gebruik wordt gemaakt van een kinketting/kinriem, dan wordt bij teugeldruk ook de tong, de lagen en de onderkaak geklemd tussen het mondstuk en de ketting; hoe meer ruimte het mondstuk overlaat aan de onderkaak en tong, hoe minder druk het paard op die plek ondervindt.

Hoe hevig die druk dan precies is, wordt in eerste instantie bepaald door de vorm van het mondstuk, de lengte en de vorm van de scharen en ten tweede door de hoeveelheid teugeldruk.

Nu is het een kwestie van pure natuurkunde: hoe langer en rechter de onderboom, des te heviger werkt de stang in. Hoe langer de onderboom, des te langer is ook de weg naar het draaipunt, het drukpunt; des te langer heeft het paard de tijd om te reageren, mits de ruiter het paard daar de tijd ook voor geeft.

Ook de vorm van de bomen beïnvloedt de mate van inwerking van de stang. Er zijn rechte, S-vormige, C-vormige en geknikte bomen. Hoe verder de boog of knik naar achteren doorloopt (ofwel hoe groter de ‘rock’), des te minder hefboomwerking gaat er van de stang uit . De kracht van de hefboom wordt nog minder als ook de bovenbomen naar achteren zijn gebogen. Dit komt omdat bij gebogen scharen het bit op een gegeven moment niet verder meer kan draaien en de hefboomwerking op dit punt niet meer vergroot wordt (het eindpunt is dan bereikt).

Conventionele stangen en pelhams hebben bijna uitsluitend rechte bomen. Hierbij kan het ‘eindpunt’ bijna niet bereikt worden zonder dat het bit volledig kantelt in de mond (wat erg pijnlijk is!). In feite kan er enorm veel kracht overgebracht worden gezien er geen ‘einde’ aanwezig is, wat dus wel bij de gebogen scharen is.

De ratio bepaalt tot slot hoeveel gram druk bij het paard uiteindelijk wordt overgebracht. Ratio is namelik de verhouding tussen boven- en onderboom. Stel de bovenboom is 5 cm en de onderboom 10 cm, dan is er een ratio van 1 op 2. Dit houdt in dat als de ruiter 100 gram druk zet, dan voelt het paard 200 gram. Als de bovenboom 3 cm is met een onderboom van 12 cm, dan is de verhouding 1 op 4 etc. De vorm van de scharen bepaalt uiteindelijk weer wanneer het paard deze druk voelt; bij rechte scharen dus al snel, bij gebogen scharen minder snel.

Hefboomwerking en ophaalwerking:
Het eerste deel van deze pagina ging over de algemene hefboomwerking bij scharenbitten. Bij paardenbitten kun je echter twee “soorten” hefboomwerking onderscheiden. Ik bedoel niet twee verschillende natuurkundige verschijnselen, maar de begrippen.

Bij bitten als de dressuurstang, kandare en pelham gebruik je altijd een kinketting, waarbij je ook druk overbrengt in de kingroeve. Dit is wat men in de paardenwereld bedoelt met “hefboomwerking”.

Bij de ophaaltrenzen wordt ook gebruik gemaakt van de hefboomwerking, maar zonder kinketting. De ophaalwerking zorgt er namelijk voor dat bij aannemen van de teugels, het mondstuk over de bitring omhoog glijdt in de mond. Hierdoor ontstaat er ook de natuurkundige hefboomwerking, zoals uitgelegd is aan het begin van deze pagina. Op deze website maak ik duidelijk onderscheid tussen de termen “ophaalwerking” en “hefboomwerking”. Hoewel ze beiden dus gebruik maken van de natuurkundige hefboomwerking, slaat de ophaalwerking dus op de werking die de ophaaltrenzen veroorzaken en de hefboomwerking op bitten als de pelham.

Veel gemaakte vergissing:
Er is een veelgemaakte vergissing over het gebruik van de hefboomwerking bij bevestiging van de teugel aan de ring bij het mondstuk. Op het paardenforum Bokt.nl heeft de gebruikster “rina” mij geholpen door beeldmateriaal te verschaffen waarop deze vergissing duidelijk wordt weerlegd. Deze reeks van foto’s is te zien op haar website (http://clipsje.jalbum.net/Bitten-en-hun-effect) en hier onder leg ik kort uit wat er precies aan de hand is.

Men denkt vaak dat als de teugels bevestigd zijn aan de bitring bij het mondstuk, dat er dan hefboomwerking ontstaat. Het klinkt logisch, maar is niet waar. De eerste 6 foto’s van de fotoreeks in de link toont dit aan met behulp van een zogenaamde kimblewick. Wanneer de teugels bevestigd zijn aan de grote ring (dus niet in een sleuf) dan glijden de teugels over de bitring heen bij aannemen waardoor ze boven het draaipunt van de as komen en dus geen hefboomwerking veroorzaken. Wanneer de teugels bevestigd worden aan een van de sleuven, dan veroorzaken ze hefboomwerking omdat ze ‘vast’ zitten in de bitring. Bij de laatste 2 series zijn foto’s gemaakt met 2 soorten shank-snaffles die met de pelham een vergelijkbare inwerking hebben. Bij bevestiging van de teugels aan de onderste ogen treedt er hefboomwerking op en bij bevestiging van de teugels aan de ring bij het mondstuk treedt er geen hefboomwerking op, omdat de teugels dan naar boven glijden en zo op of achter het draaipunt van de as zitten.

Kinketting en kinriem:
Accessoire02

Hierboven is de term kinketting al even voorbij gekomen. Dit betreft een ketting die bevestigd wordt aan de scharenbitten. Zonder deze ketting zou het bit te ver kunnen doorscharen in de mond, wat zeer pijnlijk is voor het paard, het werkt dus als een begrenzer. Bij alle scharenbitten die hefboomwerking hebben, moet dan dus ook gebruik worden gemaakt van een kinketting, hierdoor werkt het bit ook in op de kingroeve.

Nu wordt echter niet bij alle scharenbitten een kinketting gebruikt, uitzonderingen betreffen namelijk de pessoa’s, gezien dit ophaaltrenzen zijn. Het heeft echter wel de voorkeur om ook pessoa´s te voorzien van kettingen, omdat het bit anders veel te hoog opgehaald kan worden in de paardenmond.

Wil een kinketting goed werken, dan zijn de breedte en de lengte van belang. Daarmee wordt immers de kracht van de inwerking op de kingroeve bepaald. De kinketting moet zo worden bevestigd, dat de onderboom bij volledig aannemen van de teugels een hoek van 45° met de mondspleet vormt. Tegelijkertijd moet de onderboom evenwijdig lopen net de neusbrug.

De kinriem wordt vooral bij het western rijden gebruikt. Deze bestaat uit een leren riem die bevestigd wordt aan de bakstukoogjes en zo onder kin door loopt. Kinriemen kunnen geheel van leer zijn, maar in het midden ook een ketting hebben. De werking is vrijwel hetzelfde als die van de kinketting; bij scharenbitten moet de riem ervoor zorgen dat het bit niet door kan slaan in de mond. Bij trenzen wordt het vooral gebruikt om te voorkomen dat het bit door de mond getrokken kan worden.

01

Links een kinriem van doorlopend leer en rechts een westernkinketting.