De algemene inwerking

Een paardenbit bestaat uit een mondstuk en een paar bitringen. De verscheidenheid waarin mondstukken en bitringen voorkomen is enorm. Zie voor meer informatie mondstukken, bitringen en materialen.

Hoe een bit er ook uitziet, het brengt altijd druk over via de ruiterhand naar de paardenmond- en het paardenhoofd. Waar deze druk precies eindigt (en in hoeveel gram per mm²) is dan weer afhankelijk van het type bit met/of zonder neusriem en eventueel accessoire dat gebruikt wordt, maar in principe ondervindt een paardenmond- en -hoofd druk op de volgende plekken:

De mondhoeken en lippen:
De druk die de ruiter via de teugels overbrengt, is als eerste te voelen in de mondhoeken en de lippen. De mondhoeken bestaan uit een U-vormige spier en het is daarom vanzelfsprekend dat dit een gevoelig onderdeel van de mond is, wat snel kan beschadigen. Tevens zijn de lippen omhuld met een dun velletje wat ook dit weefsel gevoelig en broos maakt.

De lagen:
Vervolgens wordt de druk van de bitringen overgebracht naar het mondstuk wat dan te voelen is op het tandvlees (gemodificeerd botvlies dat op de lagen ligt), de tong en het gehemelte. Welke van deze drie als eerste aangesproken worden, hangt af van het type bit dat op dat moment gebruikt wordt.
Met de lagen wordt het tandloze stuk tussen de kiezen en snijtanden van de onderkaak bedoeld. Het bestaat uit slijmvlies met daaronder het kaakbot en de zenuwen. De lagen kunnen een dikke of dunne huid hebben, v-vormig of scherp, of breed en vlak zijn. Net als de mondhoeken is dit stuk erg gevoelig en dient daarom met respect behandeld te worden. Bij hardhandig gebruik van een bit kan er namelijk littekenweefsel op de lagen ontstaan wat erg vervelend is voor het paard. Tot slot lopen de lagen min of meer evenwijdig aan de kingroeve, die we vinden aan de buitenkant van de onderkaak.

De tong:
De tong beslaat een groot gedeelte van de mondholte. Door zijn vorm bedekt de tong de lagen en vult het de holte in de onderkaak op. Het is een grote, sterke maar soepele spier die in verbinding staat met diverse andere spieren o.a. in de borst. Spanning in de tong doordat bijvoorbeeld het bit niet goed past of door ruwe handen, kan als algehele spanning in het lichaam worden opgemerkt.
Druk die uitgeoefend wordt op het bit komt altijd op de tong terecht, het paard is in staat om zijn tong zo te vormen dat het de druk op kan vangen (bijvoorbeeld de tong hol maken) en de lagen kan beschermen (met als nadeel dat de tong dikwijls tussen bit en de lagen komt te liggen). Hoe die druk precies verdeelt wordt hangt af van het type mondstuk dat gebruikt wordt. Deze druk kan variëren van evenredig verdeeld over de bovenkant van de tong tot puntdruk.
Ondanks dat de tong een grote en sterke spier is, is het een gevoelig orgaan. Schade als gevolg van sterke en ruwe handen is zo maar veroorzaakt, dit kan zelfs amputaties tot gevolg hebben.

Het gehemelte/ het rooster:
Afhankelijk van het soort bit dat gebruikt wordt (of meer het soort mondstuk), kan de druk ook overgebracht worden naar het gehemelte. Deze druk kan, net als bij de tong, variëren van een evenredige druk verdeeld over een breed oppervlakte tot puntdrukkingen. Het gehemelte bestaat bij het paard uit zachte huid met een golfjespatroon. Bij sommige paarden kan het gehemelte wat doorzakken en hoe verder dit het geval is, hoe gevoeliger zij reageren op druk tegen het gehemelte.

Tanden en kiezen:
In principe hindert het bit geen tanden en kiezen, er zijn echter een paar zaken waar rekening mee gehouden moet worden, namelijk het wisselen van de tanden bij jonge paarden en de wolfskiezen:
– Wanneer jonge paarden hun tanden wisselen, kan een bit erg pijnlijk zijn wegens de druk die rondom de kaak ontstaat. Het kan dan beter zijn om in die periode even geen gebruik te maken van een bit.
– Wolfskiezen zijn kleine tandjes die zich, al dan niet onder het tandvlees bevinden voor de eerste kies (in de lagen dus). Het bit kan veel pijn veroorzaken als er wrijving ontstaat tussen het bit en het wolfstandje. Een gespecialiseerde dieren- of paardentandarts kan dit kiesje dan verwijderen.

De kingroeve:
De kingroeve is de groeve die men bij de kin van het paard vindt en die min of meer parallel loopt met de lagen. Sommige bitten maken gebruik van een kinketting/riem. Zo creëert men druk op de tong, de lagen en de onderkaak met als doel om hefboomwerking te creëren. Hoe dit precies werkt, is te lezen op de pagina hefboomwerking.

Achter de oren (nek):
Bij het gebruik van een bit met hefboomwerking, zorgt het bit er in combinatie met het hoofdstel ook voor dat er druk ontstaat achter de oren, dus in de nek ter hoogte van de atlas (1e halswervel) en de draaier (2e halswervel). Hierdoor wordt een neerwaartse hoofdhouding van het paard gevraagd. Maar deze druk kan ook gegeven worden met een bitloze optoming die gebruik maakt van hefboomwerking, zoals de hackamore.

Wangen/ zijkant van het hoofd:
Om het verhaal af te ronden waar het begon, zijn we teruggekomen bij de bitringen. Naast het feit dat de bitringen dus druk overbrengen naar de tong, lagen en gehemelte, brengen ze ook druk over naar de wangen/zijkant van het hoofd. Dit kan voor verduidelijking zorgen van de stuurhulpen, zoals een kneveltrens of bitten met grote bitringen dat bijvoorbeeld doen.
Wees er bedacht op dat bitringen al dan niet in combinatie met de neusriem de wangen van het paard naar binnen kunnen drukken waardoor deze tussen de kiezen terecht komen.

Neus:
De neusriemen kunnen daarnaast ook zorgen voor extra druk rondom de neus al dan niet in combinatie met het bit (zoals de kineton neusriem, zie neusriemen voor meer informatie).

Als de ruiter druk zet op de teugels dan zal het paard dit als eerste in de mondhoeken voelen en daarna in- en rondom de rest van de kaak. Waar precies en hoeveel druk is dus afhankelijk van het soort bit dat gebruikt wordt, maar ook welk hoofdstel en welke neusriem. Nu bekend is hoe de druk verdeeld wordt, is het van belang om te weten dat de ene paardenmond de andere niet is. Anatomisch gezien kan namelijk niet worden uitgesloten dat er paarden zijn die gewoonweg geen ruimte voor een bit in de mond hebben (laag gehemelte, smalle mondspleet, dikke tong bijvoorbeeld). Voor deze paarden is de optie bitloos een uitkomst.
Veel onderzoek heeft uitgewezen dat paarden sowieso al weinig ruimte in de mond hebben en doordat tegenwoordig paarden steeds luxer gefokt worden, worden de monden nog kleiner. Dit is een zeer goede reden om te zorgen voor een goed passend bit.

Tot slot, druk krijgt altijd tegendruk. De trens heeft een directe inwerking; daarom zal de druk die de ruiter geeft altijd hetzelfde zijn als de druk die het paard voelt (1 gram druk van de ruiter komt als 1 gram druk bij het paard aan). Bij een bit met hefboomwerking is dit anders; de druk die de ruiterhand uitoefent komt dan versterkt aan bij het paard. Drukmetingen, uitgevoerd door diverse universiteiten, hebben laten zien dat de druk per mm² schrikbarend hoog kan oplopen in de paardenmond, vaak al bij een ophouding waarvan de ruiter denkt dat deze niet zo hard is. Een ruiter zou daarom steeds het gevoel moeten hebben dat hij een plastic bekertje met hete koffie in de hand heeft als hij de teugels aanneemt.

1

Op deze foto is een benadering te zien van de ligging van een bit. De bakstukken horen iets hoger, maar voor de ligging van het bit maakte dit niets uit zag ik. Wel horen ze een gaatje langer gezien het mondstuk nu tegen de kiezen aanligt. Uiteraard blijft het een benadering omdat de structuren als de tong er niet meer zijn.